arnika

Gij bloeit als in een nest van bladeren gedoken,
wat schamel purper tussen overdadig groen;
gij opent als beduusd uw lippen voor de zoen
van’t licht en houdt u klein, van roem en roep verstoken.

De arnika, de look, tot bloeinis uitgebroken,
zij pralen in de zon en staan daar stout te doen
in schreeuwerig gekleur en wars van het fatsoen
dat u tot ootmoed noopt, vol schroom in’t groen verdoken.

Als alle schepsel aan Gods wijsheid is ontloken,
als alle schepsel door Gods woord is uitgesproken,
dan spreekt ook gij mij van Gods liefst gesproken Woord.

Dan spreekt uw paars van Jezus’ bloed dat heeft gedropen,
dan spreekt uw deemoed van de smaad die Hij moest lopen …
Hoe stil uw taal ook klinkt, ik heb het wel gehoord !

Gust Van Meensel (1970)